doorzoek het gehele Damescompartiment
Damescompartiment online

M.H. Székely-Lulofs:
Koelie
Amsterdam: Manteau, 1985 (eerste dr. 1932)
175 pagina's


Ten geleide
Bijna met fatalistische pen beschrijft Madelon Lulofs hoe uitzichtloos een leven kan zijn: waarom zich inspannen, alles gaat zoals het moet gaan... Roeki wordt op zijn eiland Java geronseld als contractkoelie voor een beperkt aantal jaren. Maar die duren almaar voort, tot hij sterft. In een recensie noemde de Haagsche Post Koelie de 'Delische hut van oom Tom', omdat het te lezen valt als een aanklacht tegen het Nederlands koloniaal beleid.

In lange rijen hurkten de nieuwe contractkoelies voor het administrateurskantoortje, dat aan de rand stond van een djati-aanplant. Zij hurkten daar en wachtten. In de warme, zware stilte van de dag hing hun zwijgen als een nóg zwaarder ding. Af en toe keken ze schuw onder hun neergeslagen oogleden uit naar het kale houten gebouwtje en dan naar elkaar, langs de rijen gesloten, wachtenden gezichten.
Alleen binnen in dat gebouwtje waren geluiden; korte, heftige en verschrikkende geluiden: de stem van een Europeean, die driftig schold tegen de krani; een zware deur van een ijzeren kwast, die met een slag werd dichtgesmeten; een lat, die kletterend van een tafel op het plankenvloertje viel, en dan weer de stem, die luid bevelend wat vroeg.
Het was, of al het onbekende gevaar, of al de dreiging van het nieuwe, vreemde leven daar binnen de dunne planken muren van het administrateurskantoortje was opgehoopt en door de open ramen en deuren naar buiten sloop, binnengluipend in de zonnige, vredige, tropische middag.
Achter de koelies was het djati-bis; hoge, slanke bomen, waaruit af en toe een groot blad zachtjes neerdwarrelde op de grond. Een kloek krabde tussen het afgevallen blad naar wormen en kleine kikkers voor haar piepende kuikens. Een hond lag op het pad voor het kantoor te dutten en trilde soms éven met zijn ene oor, als hij droomde. Tegen een paal gehurkt zat de kantoor-oppasser, onverschillig en doezelig voor zich uitstarend.
Opeens werd de stille dreiging uit het gebouwtje groter, levender. Voor het raam was een Europeaan verschenen. Hij vulde het hele raam met zijn geweldige gestalte, met zijn dik, rood en opgeblazen gezicht, met zijn brede, witte schouders en zijn zware, ronde buik, die over het raamkozijn uitpuilde.
'Mandoer besar!' schreeuwde hij.
De koelies doken in elkaar, doken weg voor de kracht, die uit deze Europeaan te voorschijn sprong.
'Saja, toewan besar!' Haastig, maar onhoorbaar glipte de hoofdmandoer nader, ergens achter het gebouwtje vandaan.
'Kijk met de krani de boel na van deze nieuwe mensen!"
'Saja, toewan besar!'
De gestalte verdween. Daarvoor in de plaats kwam die van de Maleise krani, klein en sierlijk. De krani begon met hun namen te vragen en de plaats waar zij vandaan kwamen, een voor een, op de rij af. Eentonig vulden de steeds herhaalde vraag en de geantwoorde naam de stilte, alsof er telkens een steen in viel.
'Djeneng moe, siapa?'
'Karmowirodjoh...'
'Dessah moe, indih?'
'Bodjonegoro...'
Zo ging het achter elkaar, telkens weer, afwisselend in het Javaans of Soendanees. Soms haperde het antwoord. Dan snauwde de krani met stemverheffing zijn vraag. En de aangesprokene, schichtig, zei, wat zachter nog, zijn naam. Er waren er, die op dit moment een andere naam aannamen. Het was een stil en tragisch aanvaarden van het nieuwe lot. En dit stilzwijgend breken met het vroeger leven was het enige, deemoedige verzet tegen de toekomst.
'Open jullie bundels en koffertjes!'
Gehoorzaam, maar éven verbaasd deden ze wat hun gelast was. De mannen zonder schroom, de vrouwen weifelend: zij hadden dingen te verbergen, waarvoor zij zich schaamden.
'Ajo, boeka..!'
Giechelend, omdat zij verlegen was, met talmende vingers, knoopte Karminah haar bundeltje los. Haar hele bezitting: eem gebroken kam, een spiegelscherf, de verdroogde bloem, die ze in haar kondeh had gedragen, en die nog een weedompige geur verspreidde, een in elkaar gefrommeld onderlijfje, een gebloemd katoenen baadje, een opgerolde sarong.
'Wat is er in die kaïn?'...
Bars vroeg de hoofdmandoer het.
'Niets, pa...het is een vuile kaïn.'
'Laat zien...'
'Maar...'
'Laat zien. Rol hem uit!'
De hoofdmandoer prikte met zijn stok naar de sarong. Nog even draalde ze. Dan, met haar hoofd gebogen van schaamte, vouwde ze de doek open. Sloeg haar ogen neer voor de rode vlekken, die daar ten aanschouwen waren van al de mannen.
'Pak weer in.'
'Saja... pa...'
Heel zacht zei haar stem het. Om haar heen giechelden de andere vrouwen. De mannen keken vóór zich, zelf gekwetst in het beledigd kuisheidsgevoel der vrouw; een gevoel, dat zij nog niet geleerd hadden te vertrappen.
'Dolken... krissen... wie heeft die bij zich?'
Aan den lijve werden de mannen onderzocht. Hun verborgen wapens werden afgenomen. Dan in rust gelaten, eindelijk, zaten ze weer zwijgend en onderworpen, wachtend wat er verder met hen zou worden gedaan. En weer was het of al de kansen van het nieuwe lot zich hoopten in het kantoortje, binnen de vier muren, waar over hen werd gesproken en beslist. Al wachtend begonnen zij dit te beseffen... Er was één midelpunt van macht. Dat was het kantoor van de toewan besar. Er was één hoogste, geweldigste macht. Dat was de toewan besar zelf. Dat zij met hun allen sterker waren... daaraan dachten zij niet. Een primitieve vrees stond tussen hen en dát besef.
Het werd laat in de namiddag. De schemer sloop uit het djati-bos. het licht werd vaal. En de stilte woog zwaarder. Toen, ineens in die stilte, vielen een paar harde geluiden. Binnen de vier wanden gaf de klok een haastige, schelle slag: half zes. De kantoor-oppasser ontwaakte uit zijn doezel, stond op en sloeg met een oude parang op een stuk half verroeste rail, dat voor het kantoor was opgehangen. Heel snel sloeg hij, korte, petsende slagen... dan allengs in vaart verminderend, volgde duidelijk en met een grote tussenpoos, nog een slag: half zes. Het einde van de arbeid. Ook uit de verte, van vijf verschillende richtingen klonken dezelfde soort slagen. Een plotseling opkomende vloed van galmen in de bewegingloze atmosfeer. Andere klanken kwamen in deze vloed: stemmen van honderden koelies. Schreeuwerige, afgeknotte Chinese woorden; doffe, dompe Javaanse; hoge, zangerige Soendanese.
Ook de koelies gingen dan voorbij: Javanen en Soendanezen het meest. Een van hun pondoks lag niet ver van het kantoor. Ze woonden streng gescheiden van de Chinezen. Tussen de pondoks en de kongsi's lag als een diepe kloof die onverzoenlijke vete van twee verschillende Oosterse godsdiensten...
In lange rijen trokken ze voorbij: moede gestalten. Over hun schouder hun tjankol. Donkerbruin, bijna zwart waren hun half naakte lijven, die elke dag tien uren lang zwoegden onder de onbarmhartige gloed van de zon. En op die donkere lijven streepte, als op de donkere karbouwelijven, de opdrogende modder in vale grijze striemen.
Van de mannen, die langs gingen, kwamen er enkelen op het kantoor toe, hurkten neer en wachtten. Mannen met magere lichamen, waarop het zware werk spieren getekend had. Zij zaten een beetje apart van de nieuwe koelies, keken af en toe tersluiks naar de nieuwelingen, namen de vrouwen op, alsof zij haar aantal telden.
'Wat willen jullie?'
De hoofdmandoer had zijn vraag in hun gezicht gesnauwd.
Een van de koelies rees overeind, deed gebogen een paar stappen naar de hoofdmandoer en hurkte dan weer neer.
'Ik vraag een vrouw, mandor besar!'
'Hoe is je naam?'
'Sentono, pa. Ik heb al zes jaren contract, maar ik heb nog geen vrouw.'
'Er zijn maar vijftien vrouwen meegekomen.'
'Dat zie ik, pa. Maar als de mandor besar medelijden met mij heeft en als het hem belieft mij een vrouw toe te wijzen, dan vraag ik om een vrouw, pa.'
De hoofdmandoer bedacht zich een moment. Hij wist dat deze koelie na de uitbetaling stilzwijgend en zonder dat de assistent het zag, een gedeelte van zijn loon aan hem zou afstaan voor het ontvangen van een vrouw. Hij keerde zich naar de nieuwe koelies, wees op de eerste vrouw de beste. Zij droeg een kind in haar slendang, een kleine jongen.
'Deze vrouw kun je nemen.'
Dan, zich tot de vrouw wendend:
'Hoe is je naam?'
'Wirio.'
'Sta op en volg deze man.'
Dralend rees ze overeind.
Zonder opzien murmelde Sentono:
'Trima kassi, pa...'
Stil ging hij naar zijn pondok. De vrouw zwijgend achter hem aan.
Zo gebeurde het ook met de anderen die gekomen waren. Behalve met een jonge koelie, die met de ouderen was meegelopen.
'Wat moet jij hier, Noer?'
De koelie, een jonge Javaan, keek stug voor zich uit.
'Ik wil een vrouw', zei hij nors.
'Ik wil een vrouw?' herhaalde de hoofdmandoer. 'Wát wil? Je hebt niets te willen... hè?...' Hij boog zich naar de koelie, kneep diens oorlel tussen zijn duim en vinger, telkens herhalend:
'Wil, niet waar?...Wil, nietwaar?... Wát wil je... jij varkensjong? Jij hoerenkind?...'
Noer trachtte zich los te wringen.
'Ik vraag om een vrouw,' zei hij stug... 'Ik ben hier al een jaar.'
De hoofdmandoer keek honend op hem neer, duwde hem, zodat hij van zijn hurken op de grond kwam te zitten. Noer herstelde weer zijn vorige houding, en weer duwde de hoofdmanoer hem uit zijn evenwicht. En weer krabbelde Noer overeind, op zijn hurken. En nog eens duwde de hoofdmandoer met korte duwen telkens, dán tegen zijn gezicht, dán tegen zijn schouders, voortdurend honend:
'Wat wil je met een vrouw?... Wat wil je met een vrouw?... Anderen zijn vijf jaar hier... zeven jaren... en hebben nóg geen vrouw. Wat denk je... jij hondejong... dat je maar direct een vrouw krijgt?... Nog tienmaal een jaar zul je wachten, tot je een vrouw krijgt, jij meidenkind! Aap! hond! Karbouw!... Jij ronggengkind! Jij, haram-djadah!!...'
Donker keek Noer op bij dat laatste, ergste scheldwoord. Achter zijn ogen broeide haat. Maar de hoofdmandoer duwde zijn gezicht neer.
'Pigi!... En gauw een beetje... of ik ransel je in mekaar, begrepen?... Kijk om je heen... nog dertig mannen zitten hier op een vrouw te wachten... zie je?... En in de pondoks zijn er nog driehonderd...'
Noer antwoordde niet. De hoofdmandoer sloeg hem in zin gezicht.
'zie je?' schreeuwde hij?
'Saja...'
'En kijk nu naar de nieuwe koelies. Hoeveel vrouwen zijn er nog?...'
'Nog een,' zei Noer kort.
'Als dat zo is... ga dan naar huis. Ajo... pigi!'
Mokkend stond Noer op, nam wrevelig zijn tjankol over zijn schouder en verdween in de al duister wordende schemer.
Roeki had dit alles angstig gadegeslagen. Er was nog maar één vrouw over, Karminah. Zij werd aan een oude Javaan gegeven, aan Marto, een koelie van Afdeling Eén.
'Ajo, ikoet... volg hem.'
De hoofdmanoder stootte haar aan. Ze weifelde, keek tersluiks naar Roeki.
'Waarom moet zij met Marto mee, pa?'
Roeki was opgestaan, hurkte dan deemoedig voor de hoofdmandoer.
'Maar zij is mijn vrouw, pa... '
'Hier hebben nieuwe koelies geen vrouw,' snauwde de hoofdmandoer. 'Ga terug naar je plaats.'
'Zij is mijn vrouw, pa... Zij moet bij mij blijven...'
Roeki kreeg geen antwoord. Alleen stootte Morto Karminah aan:
'Ajo, ikoet...'
Het bloed vloog naar Roeki's slapen. Instinctief tastte hij naar zijn mes, maar dat was hem afgenomen.
'Zij is mijn vrouw,' herhaalde hij dreigend. Hij had zich opgericht, geheel rechtop stond hij voor de hoofdmandoer: een man die zijn rechtmatig eigendom verdedigt.
De hoofdmandoer keek hem dreigend aan.
'Ga terug naar je plaats.'
'ik wil niet.'
'Ik... wil... niet? zei de hoofdmandoer, een stap op hem toetredend... 'Ik... wil... niet... dat moet je hier niet zeggen. Dat kon je in je kampong zeggen... maar hier is dat anders... "ik wil niet", dat is er niet voor een contracthond...' Hij had Roeki bij de bovenarm gegrepen. Roeki wrong zich om los te komen. Toen gaf de ander hem ineens een klap, midden in zijn gezicht.
'Adoe...' Roeki wreef de plek, die vaag rood zich tekende door zijn bruine huis. De hoofdmandoer hief zijn rotanstok en liet die neerkomen op Roeki's hoofd.
'Adoe...' schreeuwde Roeki, 'ampon, pa!'
'Zo, dan weet je, hoe het hier gaat. Wees stil en ga terug naar je plaats...'
Gebukt, half sluipend, ging hij naar zijn plaats. Karminah was al weg.
'Mandoer ketjil!'
De ondermandoers kwamen naderbij en de hoofdmandoer deelde de nieuwe koelies, samen met de krani, uit over de verschillende afdelingen. Roeki moest naar afdeling Drie, onder mandoer Amat.
'hen je nú al een grote mond?' vroeg mandoer Amat dreigend? Er werd gegrinnikt tussen de mannen. Roeki boog beschaamd het hoofd.
'Tida, pa...'
'Dat is dan goed... want ik heb ook een stok, zie je?'
Weer grinnikten de anderen. Roeki bleef naar de grond turen.
'Ajo, vooruit... lopen!'
Zwijgend voegde Roeki zich bij de anderen. De mandoer leidde hen naar de pondok van afdeling Drie, waar hij hun kamertjes en slaapplaatsen aanwees.

Pag. 49-61